Online boek van Carl Welkisch: De mens tussen Geest en Wereld
Op iedere leeftijd van de mens wordt zijn geest voor mij niet alleen waarneembaar als een karakteristieke individuele straling, maar ook als een werkelijke gestalte, waarvan de donkerder of lichtere verschijningsvorm helemaal door zijn mate van Godsverbondenheid wordt bepaald. Zijn zelfstandigheid ten opzichte van ziel en lichaam blijkt uit het feit dat de geestelijke gedaante dikwijls bij mij verschijnt en mijn aandacht opeist, juist wanneer de desbetreffende mens zijn denken volledig op zijn actuele bezigheden moet concentreren of wanneer hij slaapt.
In mijn waarneming staan er dus drie verschillende mensen in elkaar: de lichamelijke mens, de zielenmens en de geestelijke mens, verbonden tot een levensgemeenschap. Zin en doel van het bestaan van die levensgemeenschap is: hun volledige eenwording. Daar zijn ze bij vrijwel alle aardse mensen nog oneindig ver van verwijderd; alleen bij sommige mystici en heiligen komen ze elkaar al hier een stuk dichterbij. Maar de samenbinding van deze drie zo verschillende wezenslagen tot één levensgemeenschap is vanaf de geboorte niet te scheiden. Als we vragen welk doel deze levensgemeenschap dan wel dient, dan laat zich dat met het woord » vergeestelijking « omschrijven. Daaronder versta ik: het volgens een bepaalde orde voortschrijdende versmelten van de in eerste instantie lange tijd nog tamelijk zelfstandige wezensdelen, het opgaan van ziel en lichaam in hun wedergeboren Geest, totdat uiteindelijk het Kindschap van God bereikt wordt.