Online boek van Carl Welkisch: De mens tussen Geest en Wereld

4. De individuele mensengeest

“Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens? Zo is alleen de Geest van God in staat om God te kennen. Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.” (I Kor. 2: 11-12)

Al in mijn vroege jeugd had ik mijn geest aanvoelend waargenomen als een op zichzelf staand, volmaakt wezen van mannelijke leeftijd. Bij de grote worsteling om mijn vergeestelijking was de eerste keer dat ik mijn geest in eigen persoon waarnam, een doorslaggevende afsluiting. Als een vreemd, hoog geestelijk wezen trad hij mij tegemoet, tot ik hem herkende als mijn diepste innerlijke Ik in de gedaante van de geestelijke mens en onmiskenbaar verschillend van de ziel. Van toen af aan nam ik ook bij andere mensen hun individuele geest waar en herkende ik zonder enige twijfel de diepe samenhang tussen lichaam en ziel van die mens en zijn geest. Nu wist ik wat ik altijd al had gevoeld, namelijk dat de geest van de mens zich niet pas uit geestelijke kiemen van deze aarde tot een individueel bestaan ontwikkelt, maar in geestelijke rijken een voorafgaand individueel leven in menselijke gedaante bezit.


4. De individuele mensengeest
Pagina's in dit hoofdstuk:
12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19

    
www.vergeestelijking.nl