Online boek van Carl Welkisch: De mens tussen Geest en Wereld
6. Vrije wil en gebed
Zolang de geest niet in de ziel kan stralen en het bewustzijn kan verlichten, is het de wil van de ziel die de keuzes voor het menselijke streven en handelen maakt. Maar deze wil is niet onbegrensd; reeds de vervlechting van ziel en lichaam stelt er een grens aan. Er zijn lichaamsfuncties die onafhankelijk van de wil verlopen. Gevoelens van pijn en honger kun je niet met de wil uitschakelen, hoogstens kun je ze onderdrukken. En bovenal kan de menselijke wil de constante toevoer van levenskracht vanuit de geest via de ziel naar het lichaam niet onderbreken. Hij heeft alleen de vrijheid om het lichaam te vernielen, het leven ervan te beëindigen - maar zichzelf, de ziel, vernietigt hij daarmee niet. Ook de levensvoorwaarden waarbinnen de mens door zijn geboorte is geplaatst, stellen grenzen aan de wil van de ziel. Maar ze is vrij in de keuze of ze in haar eigen belangen wil blijven hangen of zich voor de hogere wil van de geest open wil stellen.
Daarmee wordt de vrije wil dus een kernpunt voor de ontwikkeling van de mens. De vrije wil staat de geest toe om in de onbeperkte liefde voor God en zodoende » rein « te blijven, of ruimte aan eigenliefde te geven en zodoende te » vallen « . Op welk niveau van zijn ontwikkeling hij zich ook bevindt, wanneer hij naar de aarde afdaalt: altijd wil hij zijn ziel doordringen, omdat hij in haar zijn uitdrukking vindt.