Online boek van Carl Welkisch: De mens tussen Geest en Wereld

God houdt weliswaar ook voor hem alle hulp in gereedheid en kan met Zijn liefde ook de geest van die mens wel aanraken; maar als de natuurlijke mens zich in ziel en lichaam afwijzend opstelt kan Gods liefde niet werkzaam worden. God dringt zich aan niemand op; de vrije wil van de mens moet volledig onaangetast blijven.

Het is enkel afhankelijk van het vrije wilsbesluit van de mens of God hem kan helpen, want het staat ieder mens vrij om Gods liefde in zich op te nemen of haar af te wijzen. Maar ieder wilsbesluit vloeit voort uit de overwegende liefde van de mens, want wij kunnen alleen maar datgene serieus willen wat wij liefhebben. Omdat God ons als werkelijk vrije kinderen wil hebben, die Hem uit vrije aandrang liefhebben, vermijdt hij behoedzaam alles wat de menselijke wil zou kunnen dwingen of verplichten. Het is vanwege het voor de natuurlijke mens volkomen onbegrijpelijke en onschatbare geschenk van de vrije wil, dat God zichzelf in Zijn werkzaamheid zo’n strenge beperking oplegt en zich terughoudt, ook wanneer de mens Zijn ingrijpen vaak vurig wenst om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid weg te nemen en nood en leed uit de wereld te helpen.


6. Vrije wil en gebed
Pagina's in dit hoofdstuk:
26, 27, 28, 29, 30

    
www.vergeestelijking.nl