De trilogie "Een ongewoon gesprek met God" van Neale Donald Walsch.
Aparte boeken. Het bevat mooie zinnen zoals: (3 blz.199): "In de menselijke werkelijkheid kun je zien dat jullie er altijd naar op zoek zijn om lief te hebben en ernaar op zoek zijn om liefgehad te worden. Je zult zien dat jullie altijd naar onbeperkte liefde verlangen. En je zult zien dat jullie altijd vrij zouden willen zijn om uitdrukking aan liefde te geven."
Maar het bevat ook zinnen die zó ongelukkig omschreven zijn, waardoor ze eigenlijk onwaar zijn.
(Boek 1 blz.114): "Op dezelfde wijze is Gods grootste moment het moment waarop jij je realiseert dat je geen God nodig hebt.".
Naar mijn mening zal deze uitspraak voor ons schepsels altijd een onwaarheid zijn en blijven. Voor ieder schepsel is de Liefdesrelatie met de ongeschapen God namelijk het meest gelukzalige. En omgekeerd is voor de ongeschapen God de Liefdesrelatie met de schepping het meest gelukzalige. Om dit geluk te beleven is God "nodig".
Natuurlijk begrijp ik wel wat Walsch bedoeld. Het is mij namelijk bekend dat de mens een éénheid is van zowel God als schepping. En buiten die éénheid heeft de mens werkelijk geen God "nodig". Als Walsch dàt bedoeld, dat begrijp ik het. Maar in z'n boek komt dat nogal slecht uit de verf.
Het "Ik ben"
Boek 1 blz. 94: Volgens Walsch moet de mens het "Ik ben..." gaan uitspreken bij het scheppen. Ook bij dit stukje heb ik hetzelfde kritiek als bij het voorgaande. Vanuit ons schepsels gezien is het onwaar. Alleen God kan namelijk zeggen "Ik ben...". Maar net als bij het voorgaande stukje kan ik weer zeggen: In éénheid met God, kan de mens inderdaad het "Ik ben..." uitspreken. Totdat die éénheid met God bereikt is, moeten we als schepsels blijven zeggen: "Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede". Net zoals Jezus zei voor zijn kruiziging. Als je vóór die éénheid het "Ik ben..." gaat uitspreken, dan ben je op de verkeerde weg. En dat Walsch dit niet nader duidelijk maakt, vind ik jammer.
Meister Eckhart schrijft: Alle schepselen kunnen wel "ik" zeggen, maar het woord "ben" kan eigenlijk niemand ten aanzien van zichzelf gebruiken dan God alleen.
Hitler naar de hemel?
Boek 1 blz. 67: "Ik houd niet meer van 'goed' dan van 'kwaad'. Hitler ging
naar de hemel. Wanneer je dit kunt begrijpen, dan begrijp je God."
Vanuit de boeken van Jakob Lorber weet ik dat de "hemel" en de
"hel" geen plaatsen zijn, maar gemoedstoestanden binnenin de mens.
De "hel" is niet eeuwigdurend, maar duurt zolang als de mens zijn
slechte wil niet wil opgeven.
Dus ja, net zoals Judas, is het ook Adolf mogelijk om vergiffenis te krijgen, en door de Liefde omhoog te klimmen naar de Hemel. Maar daarvoor is een volledige omkering van gemoedstoestand/wil noodzakelijk!
Vanuit een zeker standpunt geen onwaarheid wat Walsch schreef, maar wat is hij ongenuanceerd met deze uitspraak! Het verbaasd mij daarom niet dat boekwinkel "Haasbeek" in Alphen a/d Rijn het boek niet meer wil verkopen uit medeleven met de Joodse oorlogslachtoffers.
De bruidegom?
Boek 1 blz. 189: "Want zoals jullie het lichaam van Mij zijn, zo ben Ik het lichaam van een ander." (1 blz. 189). De sfeer die dat idee oproept, bevalt mij niet. Het geeft mij een beetje het "New Age" gevoel. Net alsof wij ons als de gelijke van de oneindige, ongeschapen God moeten gaan voorstellen. Eigenlijk ontkent Walsch met deze uitspraak het bestaan van de ongeschapen persoonlijke God, ookwel de bruidegom genoemd. Zo'n idee moet tot teleurstellingen leiden, is mijn mening.
Het "Nu" moment
Maar ik heb ook stukjes gelezen die mij aanspraken.
Bijvoorbeeld het "Nu-moment". Walsch schrijft dat toekomst en verleden niet bestaan, maar alleen het moment van het NU. Dat voel ik als waarheid, want ik heb werkelijk nog nooit een ander moment als het "nu" meegemaakt.
Ook uitspraken als: (2 blz. 154) "Heb niets nodig, verlang alles", of "Jullie moeten stoppen God als afgescheiden van jullie te zien en jezelf als afgescheiden van elkaar", spreken mij zeer aan.
Tevens zijn de suggestie's voor verbeteringen van de samenleving goed, naar mijn mening. (2 blz 199)
Of bijvoorbeeld de mening over economische gelijkheid: "Onthoud wanneer je over gelijkheid spreekt, dat we gelijke kansen bedoelen, niet feitelijke gelijkheid."
Algemene conclusie:
Ik ben blij dat uitgeverij Kosmos-Z&K vermeldt dat "Een ongewoon gesprek met God" een bestseller is. Naar mijn mening geven deze boeken de goede richting aan om te komen tot een beter leefmilieu op aarde. Dan bedoel ik zowel een beter sociaal als fysiek leefmilieu.
Maar ik wil ook opmerken dat het niet zonder betekenis is dat Walsch aan God vraagt op bladzijde 189 van deel 1: "Wacht eens even? U bedoelt dat ik eigenlijk niet met God aan het praten ben op dit moment?". Deze vraag van Walsch geeft een indicatie van de intensiteit van zijn belevenis.
Bij de mysticus Carl Welkisch was zo'n vraag ondenkbaar. Zijn belevenissen met God waren zo hoog en heilig, zodat dat zo'n vraag überhaupt nooit in hem op zou komen. Welkisch voelde de geborgenheid, warmte en Liefde van God tijdens een éénwording met God, terwijl Walsch meer aan het praten was met God.
Let op: Dit is geen oordeel, maar een constatering.