Opmerkelijkheden
Alle engelen tezamen worden de hemel genoemd omdat de hemel door hen gevormd wordt, het is echter het Goddelijke dat vanuit de Heer voortgaat en in de engelen vloeit en door hen ontvangen wordt wat de gehele hemel maakt. (Swedenborg)
Geloven in leven na de dood.
Het is niet zonder reden dat Lorber en Swedenborg daarover zoveel meegedeeld kregen. Een mens die zich realiseert dat er leven na de lichamelijke dood is, zal zijn leven daarop inrichten.
En relaties met mensen worden dan eeuwigdurende relaties. En niemand wil iemand bestelen of oplichten met wie hij/zij een eeuwigdurende relatie heeft.
Toen de mens zich van de hemel had afgewend en de verbinding verbrak, werd een nieuw middel tot verbinding met de mens door de Heer verschaft, door het Woord. (Hemel en Hel - 306)
God wil ieder mens tegemoet komen en helpen. Maar aangezien de wilsvrijheid van de mens niet aangetast mag worden, kan er alleen geholpen worden door het plaatsvervangend lijden van God en de heiligen.
Hoe werkt het? God verbindt de heilige met de gevallen geesten/sferen, en die binding is zo sterk zodat de heilige het voelt alsof hij/zij het is die gevallen is. Door de reinheid van de heilige is de verbinding met God echter nog in tact, en met veel gebed, moeite en lijden laat de heilige de krachten van God in zich werken.
De vergeestelijking die God aan de heilige bewerkt is een natuurlijk proces en slaat geen stap over. Juist omdat het op een natuurlijke manier gebeurt kunnen alle gevallen geesten daarvan profiteren. Welkisch vergeleek plaatsvervangend lijden met als eerste een weg kappen. Andere mensen moeten de weg ook gaan, maar het is voor hun makkelijker.
Door het plaatsvervangend lijden worden mensen geholpen, zodat ze niet honderden jaren in de reinigingsoorden (katholiek: vagevuur) hoeven door te brengen.
Hoe kan er iets ontstaan zijn? Voordat er iets was, was er toch niets? Hoe kan daar nou iets uit ontstaan zijn!?
Het "alles" moet er echter ook bij betrokken worden. "Iets" kan alleen maar uit het alles komen.
Waarom zou het "alles" iets laten ontstaan? Dat komt omdat het dermate oneindig is, dat het niet in een bepaalde vorm of gestalte te vatten is. Wil het zijn machtvolkomenheid en onbegrensde mogelijkheden bewust worden, dan moet er iets ontstaan.
Max Prantl: Dat een met magische krachten begiftigd mens bewust of onbewust levenskrachten uit lichaam en ziel van anderen kan wegzuigen (langs astrale weg) zal velen ongeloofwaardig lijken. Welnu, ik weet wat ik zeg, want ik heb het zelf meegemaakt. Evenals zeer vele anderen kan ik of zou ook ik op deze manier krachten van anderen kunnen stelen. Dertien jaar geleden kwamen er bij mij, zonder mijn eigen bewust toedoen en zonder ‘scholing’ door anderen, vele magische vermogens op, onder andere dit vermogen. Pas toen ik zag hoe men op die manier de sterkste en levendigste mens volledig kan veranderen, moe, uitgeput, ja levensmoe kan maken, zag ik het verwerpelijke van een dergelijke handelwijze in en liet ik mij daar nooit meer toe verleiden.
Hoe deze krachtenroof ‘technisch’ uitgevoerd kan worden wil ik hier niet schetsen, want ik schrijf niet voor wordende duivels. Zo’n parasiterende activiteit van anderen af te weren is gemakkelijk, ook wanneer men de aanstichter ervan niet kent. Men hoeft alleen maar geen enkele bedruktheid, ontevredenheid, zorg of angst in zichzelf te dulden (of die nu schijnbaar ongegrond of gegrond zijn). Men moet die uit zichzelf verwijderen op de manier zoals in het laatste deel van de vierde brief is geschetst. Dan is de voorwaarde vernietigd, waardoor een parasiterende activiteit van anderen op de eigen levenskrachten mogelijk wordt.
Carl Welkisch: De meeste mensen lijden alleen maar natuurlijk, dat is lichter te verdragen.
Anderen, die geestelijk lijden, hebben het veel zwaarder. Maar het lijden en deze
gevallen wereld vanuit God te beleven en te lijden, dat is onuitsprekelijk zwaar en voor
natuurlijke mensen uberhaupt niet te bevatten.
Daar onschuld bestaat in het geleid worden door de Heer
en niet door zichzelf,
verheugen allen in de hemel zich in onschuld,
want allen die een plaats in de hemel hebben,
willen graag door de Heer geleid worden.
(Hemel en Hel - 280).
Genesis 2:15:
‘Van alle bomen in de tuin mag je eten,
maar niet van de boom van de kennis
van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet,
zul je onherroepelijk sterven.’
Met het eten van de boom denk je dat je het zelf
wel weet, en daarmee verlies je je onschuld.
Alle basiskennis over het ware wezen van de schepping is de mensheid zo goed als verloren gegaan. Ze weet niet meer, dat ook de Aards-Lichamelijke schepping oorspronkelijk geestelijk was en pas door de val van lucifer van God in de toestand van de natuur en de starre materie gevallen is. En de mensheid is zich ook het doel niet bewust, dat ze zelf zich samen met de natuur weer naar de Geest omhoog dient te worstelen. (Welkisch)
Jung Stilling (318): Christus heeft door zijn menswording en door de uitvoering van het eeuwig verborgene raadbesluit van God, zijn Vader, de macht gekregen, alle vrije handelingen van de mensen zo te sturen, dat de zonden hier in het geestenrijk lauter gezegende en tot zaligheid van de bekeerde en begenadigde kinderen van Adam toedoelende gevolgen hebben moeten.
Carl Welkisch, 5 dec 1942: "Nu werd mij een blik gegund in oneindige geheimen, die geen mens kan vatten en begrijpen zonder dezelfde goddelijke verlichting te bezitten. Maar ook dan zou hij ze niet kunnen begrijpen, als hij niet vanaf zijn jeugd, zoals ik, op deze weg voorbereid is. Zonder het volkomen onbeschrijfelijke, nameloze en voor andere mensen onbegrijpelijke lijden is deze weg niet te gaan."
Toen ik in de grond, in de bodem, in de stroom en in de bron van de Godheid stond, vroeg niemand mij waarheen ik wilde of wat ik deed. Er was daar niemand om het mij te vragen. Toen ik echter uitstroomde sprak al het geschapene over God. Zo spreken alle creaturen over God. En waarom spreken zij niet over de Godheid? Omdat alles wat in de Godheid is, één is en daarover kan men niet spreken. God werkt, doch de Godheid werkt niet. Het is ook niet nodig dat zij werkt, in haar is geen werk; God en Godheid onderscheiden zich door werken en niet-werken.
Als ik weer bij de diepste grond kom, in de stroom, in de bron van de Godheid, dan vraagt niemand mij waar ik vandaan kom of waar ik geweest ben. Daar heeft niemand mij gemist, daar 'ontwordt' God.
Toen ik mij in mijn eerste ontstaansgrond bevond, had ik daar geen God, en ik was daar oorzaak van mijn zelf. Ik wilde en begeerde daar niet, want ik was een Zijn zonder meer en een kenner van mijn zelf in het genot van de waarheid. Wat ik daar wilde was mijzelf en niets anders. Wat ik wilde, dat was ik, en wat ik was, dat wilde ik. Toen ik echter uit eigen vrije wil naar buiten trad en het voor mij geschapen bestaan ontving, had ik een God; want voordat de schepselen er waren, was God niet God, maar Hij was die Hij was. Maar toen de schepselen ontstonden en hun geschapen zijn ontvingen, was God niet god-in-zichzelf, maar was Hij God in de schepselen.
Nu zeggen we dat God, voorzover Hij God is, niet het einddoel is van de schepselen: zo'n grote rijkdom heeft namelijk het geringste schepsel in God. En deed het geval zich voor dat een vlieg intellect bezat en via het intellect de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn zou kunnen zoeken waaruit hij is voortgekomen, dan zouden wij zeggen dat God met al wat er God aan Hem is niet voldoende vervulling zou kunnen bieden voor de vlieg. Daarom bidden wij God dat wij van God leeg worden en dat we de waarheid ontvangen en eeuwig genieten daar waar de opperste engel en de vlieg en de ziel gelijk zijn, daar waar ik me bevond en wilde wat ik was en was wat ik wilde.
Toen ik uit God voortvloeide, spraken alle dingen: "God is". Dat kan mij echter niet zalig maken, want daarbij ervaar ik mijzelf als creatuur. In het doorbreken daarentegen, daar waar ik vrij ben van mijn eigen wil en van Gods wil, en van al zijn werken en van God zelf, sta ik boven alle creaturen en ben noch God noch creatuur, doch ik ben wat ik was en wat ik zal blijven, nu en voor altijd. In dit doorbreken krijg ik een in-druk, die mij hoger dan alle engelen brengt, en met deze in-druk ontvang ik een zo'n grote rijkdom, dat God mij niet genoeg kan zijn met alles wat hij als (Schepper-)God is en met al zijn goddelijke werken, want in dit doorbreken valt mij ten deel dat ik en God één zijn. Daarin ben ik wat ik was en neem ik niet af of toe, want ik ben daar een onbeweeglijke oorzaak, die alle dingen beweegt. Hier vindt God geen plaats meer in de mens, want de mens verwerft met deze armoede in de geest wat hij eeuwig is geweest en eeuwig zal blijven. Hier is God één met de geest en dat is de uiterste armoede die men vinden kan.
Uit: Waar God naamloos is (p. 97, 99, 100). Of: Meister Eckehart Deutsche Predigten und Traktate herausgegeben von Josef Quint (p. 273, 304, 308).